GLOSSARY

We proberen ons marketingmateriaal zo duidelijk mogen te maken, maar enig financieel jargon is onvermijdelijk. Daarom verklaren we in deze begrippenlijst enkele van de meest gebruikte financiële termen. Cursieve woorden binnen een definitie worden elders in de begrippenlijst verklaard.

A

B

C

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

Q

R

S

T

U

V

W

X

Y

Z


A

Aandeel

Een bewijs van deelneming dat een eigendomsrecht vertegenwoordigt en meestal wordt verhandeld op een aandelenbeurs. ‘Aandelen’ als beleggingscategorie zijn beleggingen in aandelen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld obligaties. Als een belegger een ‘aandeel’ heeft in een bedrijf, dan betekent dit dat hij aandelen heeft in dat bedrijf en dus mede-eigenaar is.

Aandelen

Zie aandeel. Also commonly called ‘stocks’.

Aandelenterugkoop

De terugkoop van aandelen door een onderneming, waardoor het aantal uitstaande aandelen daalt. Het belang van bestaande aandeelhouders in de onderneming neemt hierdoor procentueel gezien toe. Over het algemeen wijst dit op een optimistische visie van de onderneming op de toekomst en een mogelijke onderwaardering van de aandelen van de onderneming.

Absoluut rendement

Het totaalrendement van een portefeuille, in tegenstelling tot het relatieve rendement ten opzichte van een benchmark. Het wordt geregistreerd als een winst of verlies en uitgedrukt als een percentage van de totale waarde van een portefeuille.

Actief beleggen

Een beleggingsbenadering waarbij een fondsbeheerder actief beslissingen neemt over welke beleggingen hij in portefeuille neemt en in welk aantal, vaak met als doel een specifieke index te overtreffen. Zo’n benadering vertrouwt op de vaardigheden van de fondsbeheerder. Het tegenovergestelde van passief beleggen.

Active share

Deze waarde geeft aan hoe groot de afwijking is tussen de belangen in de portefeuille en die van de benchmark. Een portefeuille met een active share van 60% betekent dat 60% van de belangen afwijkt van de benchmark, terwijl de resterende 40% overeenkomt met de benchmark.

Afdekking

Het innemen van een compenserende positie in een gerelateerd effect om de risico’s te kunnen beheersen. Deze posities worden gebruikt voor het beperken of compenseren van de mogelijke totale verliezen in een portefeuille. Daar kunnen verschillende technieken voor worden gebruikt, waaronder derivaten.

Afwaardering

Beleggers willen minder betalen voor een aandeel of het verlagen van de creditrating van een obligatie.

Apprendimento approfondito (deep learning)

Implica l'inserimento in un sistema informatico di una grande quantità di dati utilizzabili per intraprendere decisioni su altri dati. Questi dati vengono inseriti tramite reti neurali, ovvero strutture logiche che pongono una serie di domande binarie vero/falso o estraggono un valore numerico da tutti i dati raccolti e li classificano in base alle risposte ricevute.

Alpha

Alpha is het verschil tussen het rendement van een portefeuille en dat van zijn benchmark na correctie voor het genomen risico. Een positieve alpha wijst erop dat een portefeuille, gezien het genomen risico, een superieur rendement heeft behaald.

Alternatieve belegging

Een belegging die niet behoort tot de traditionele beleggingscategorieën aandelen, obligaties en cash. Tot alternatieve beleggingen behoren onroerend goed, hedgefondsen, grondstoffen, private equity en infrastructuur.

Alternatives

Een belegging die niet behoort tot de traditionele beleggingscategorieën aandelen, obligaties en cash. Tot alternatieve beleggingen behoren onroerend goed, hedgefondsen, grondstoffen, private equity en infrastructuur.

Animal spirits

Een term die is gebruikt door John Maynard Keynes als een verwijzing naar de emotionele manier van denken van beleggers en consumenten, waarbij vertrouwen of een gebrek daaraan de economische groei kan aanjagen of afremmen.

Asset-allocatie

De allocatie van een portefeuille naar een beleggingscategorie, sector, regio of type effect.

Asset-backed securities (ABS)

Een financieel effect dat wordt ‘afgedekt’ met assets zoals leningen, creditcardschulden of leases. Dit maakt het voor beleggers mogelijk te beleggen in een groot aantal verschillende assets die inkomsten genereren.


B

Balans

Een financieel overzicht met een momentopname van de activa (bezittingen) en de passiva (vreemde vermogen en aandelenvermogen) van een onderneming. Elk segment geeft beleggers een idee van wat de onderneming in bezit heeft en verschuldigd is, maar ook van wat aandeelhouders hebben geïnvesteerd. Het heet een balans vanwege de boekhoudkundige vergelijking: activa = schulden + aandelenvermogen.

Barbell-strategie

Een beleggingsstrategie voor obligaties waarbij de ene helft is belegd in langlopende obligaties en de andere helft in kortlopende obligaties. Het doel hiervan is het genereren van een beter risicogecorrigeerd rendement.

Bearmarkt

Een financiële markt waar de koersen van effecten dalen. Over het algemeen wordt een daling van 20% of meer gehanteerd in een index, over een periode van minstens twee maanden. Het tegenovergestelde van een bullmarkt.

Bedrijfsobligatie

Een obligatie uitgegeven door een bedrijf.

Beleggingsfonds

Een beleggingsinstelling die het geld van de aandeelhouders belegt in aandelen van andere bedrijven. Een beleggingsfonds heeft een vastgesteld aantal aandelen.

Benchmark

– Een standaard waarmee de performance van een portefeuille wordt vergeleken. Zo kan de performance van een aandelenfonds uit het VK worden vergeleken met een marktindex als de FTSE 100, waarin de 100 grootste bedrijven zijn vertegenwoordigd die zijn genoteerd aan de London Stock Exchange. Een benchmark wordt vaak een index genoemd.

Bèta

Maatstaf die de relatie van een portefeuille (of effect) weergeeft in vergelijking met de totale markt of een benchmark. De bèta van de benchmark is altijd 1. Een portefeuille met een bèta van 1 beweegt mee met de markt: als de markt 10% stijgt, gaat de portefeuille ook 10% omhoog. Een portefeuille met een bèta die hoger is dan 1 geeft aan dat de portefeuille naar verwachting volatieler is dan de markt maar wel in dezelfde richting beweegt. Bij een bèta van 0 heeft de portefeuille geen correlatie met de markt. Een negatieve bèta betekent dat de portefeuille in tegengestelde richting beweegt van de markt

Beursgang

Eerste introductie op de beurs. Aandelen van een bedrijf worden voor het eerst aangeboden op de beurs.

Beursgenoteerd vastgoed

Binnen vastgoedbeleggingen heeft dit betrekking op ondernemingen (waaronder REIT’s) die staan genoteerd aan een aandelenbeurs en hun inkomsten voornamelijk halen uit het bezitten, beheren of ontwikkelen van vastgoed.

Bewust zijn van een index

Hoewel portefeuilles worden opgebouwd op basis van een benchmark, worden aandelen vooral geselecteerd – en krijgen deze een weging – op basis van de fundamentele aandelenanalyse van een fondsbeheerder.

Blue chip-aandelen

Aandelen van een alom bekend, lang gevestigd en financieel gezonde onderneming, doorgaans met een lange staat van dienst wat betreft betrouwbare en stabiele groei.

Boekwaarde

De waarde van een aandeel zoals afgeleid van de balans van de onderneming. Deze waarde kan afwijken van de marktwaarde.

Bottom-up

De waarde van een aandeel zoals afgeleid van de balans van de onderneming. Deze waarde kan afwijken van de marktwaarde.

Bruto binnenlands product (bbp)

De waarde van alle in een land geproduceerde goederen en diensten binnen een bepaalde periode (meestal per kwartaal of per jaar). Het bbp wordt meestal uitgedrukt als een percentage en vergeleken met een voorgaande periode. Het is een maatstaf voor de totale economische activiteit van een land.

Bullmarkt

Een financiële markt waarbij de koersen van effecten stijgen, met name over een lange periode. Het tegenovergestelde van een bearmarkt.

Buy-and-hold

Een beleggingsstrategie met een langetermijnvisie, ongeacht de marktbewegingen op korte termijn.


C

Carry

(Afhankelijk van de context) Een mogelijke definitie is rente-inkomsten of coupon, een periodieke rentebetaling die wordt betaald voor een obligatie. Een coupon wordt weergegeven als een percentage van de nominale waarde van een belegging. Voorbeeld: als een obligatie een nominale waarde heeft van GBP 100 en een jaarlijkse coupon van 5%, bedraagt de betaalde rente GBP 5 per jaar.

Chinese A-aandelen

Aandelen die staan genoteerd aan de aandelenbeurs van Shenzhen en Shanghai.

Claimemissie

Uitgifte van effecten waarbij nieuwe aandelen alleen worden aangeboden aan bestaande aandeelhouders.

Cloudcomputing

Het op afstand beheren van IT-diensten door computer- en opslagtechnologie te kopen van gespecialiseerde dienstverleners op internet.

Consumentenprijsindex

Een maatstaf die de prijsverandering van een mandje goederen en diensten meet. Het wordt gebruikt om de ‘inflatie’ te schatten. Headline-inflatie is een berekening van de totale inflatie in een economie, waarbij ook zaken als voedsel en energie worden meegeteld die doorgaans gevoeliger zijn voor prijsschommelingen (volatiel). Kerninflatie is een maatstaf voor de langetermijninflatie, zonder veranderlijke/volatiele zaken als voedsel en energie.

Contract for difference (CFD)

Een financieel contract tussen twee partijen. Winst en verlies is afhankelijk van de veranderende koers van onderliggend effecten, waarbij het verschil wordt betaald in cash. Het biedt exposure naar alle voordelen en risico’s van het bezitten van een effect zonder dit effect daadwerkelijk te bezitten.

Contrair

Een beleggingsstijl die ingaat tegen de marktconsensus of een conventionele benadering. Contraire beleggers zijn ervan overtuigd dat kuddegedrag op de financiële markten kan leiden tot kansen door onjuist gewaardeerde effecten.

Correlatie

De samenhang tussen de koersbeweging van twee variabelen (bijv. aandelenrendement of fondsrendement). Variabelen met een correlatie van +1 bewegen in dezelfde richting. Variabelen met een correlatie van -1 bewegen in tegengestelde richtingen. Een correlatie rond de nul wijst op een zwakke of helemaal geen relatie tussen de twee variabelen.

Coupon

Een periodieke rentebetaling voor een obligatie. Een coupon wordt weergegeven als een percentage van de nominale waarde van een belegging. Voorbeeld: als een obligatie een nominale waarde heeft van GBP 100 en een jaarlijkse coupon van 5%, bedraagt de betaalde rente GBP 5 per jaar.

Credit

Verwijst naar obligaties op vastrentende markten waarbij de lener geen overheidsdienst is. Meestal is de lener een onderneming of een individu, en hebben de kredieten de vorm van obligaties, leningen of andere vastrentende categorieën.

Credit default swaps (CDS)

Een financieel contract tussen twee partijen, waarmee het kredietrisico van een obligatie afgedekt kan worden. De koper van de swap doet periodieke betalingen aan de verkoper. In ruil daarvoor gaat de verkoper ermee akkoord de onderliggende schuld af te betalen in het geval van wanbetalingen. Een CDS wordt gezien als een verzekering voor het niet nakomen van betalingsverplichtingen en is ook los verhandelbaar. Dit maakt het voor een fondsbeheerder mogelijk posities in te nemen in een bepaalde issuer of index, zonder de onderliggende effecten daadwerkelijk in bezit te hebben.

Creditmarkt

Een markt voor beleggingen in bedrijfsobligaties en aanverwante derivaten

Creditrating

Een score die is toegekend aan een lener op basis van zijn kredietwaardigheid. Dit kan betrekking hebben op een overheid of onderneming, maar ook op een van hun individuele obligaties of financiële verplichtingen. Een entiteit die investmentgradeobligaties uitgeeft, heeft een hogere creditrating dan een entiteit die highyieldobligaties uitgeeft. De rating wordt doorgaans toegekend door rating agencies, zoals Standard & Poor’s en Fitch, die gestandaardiseerde scores gebruiken zoals ‘AAA’ (een hoge rating) of ‘B-’ (een lage rating). Moody's, een andere bekende rating agency, gebruikt een iets andere notatie (met Aaa voor een hoge en B3 voor een lage rating).

Creditspread

Het verschil tussen de rente op bedrijfsobligaties ten opzichte van vergelijkbare staatsobligaties.

Cyclische aandelen

Bedrijven die cyclische consumentengoederen verkopen, zoals auto’s, of sectoren die zeer gevoelig zijn voor veranderingen in de economie, zoals mijnbouw. De koers van aandelen en obligaties die zijn uitgegeven door cyclische bedrijven wordt doorgaans sterk beïnvloed door ups en downs van de algemene conjunctuur in vergelijking tot niet-cyclische bedrijven.


D

Deep learning

Grote hoeveelheden data invoeren in een computersysteem, dat deze data kan gebruiken om beslissingen te nemen over andere data. Deze data wordt ingevoerd door middel van neurale netwerken – logische constructies die een groot aantal binaire waar/niet waar-vragen stellen, of een numerieke waarde afleiden uit alle data die voorbijkomt, en deze classificeren in overeenstemming met de ontvangen antwoorden.

Deflatie

Een periode waarin de prijzen van goederen en diensten sectorbreed dalen. Meestal een teken van een verzwakkende economie. Het tegenovergestelde van inflatie.

Derivaat

Een financieel instrument waarvan de prijs is afgeleid van de waarde van een of meerdere onderliggende effecten, zoals aandelen, obligaties, grondstoffen of valuta's. Het is een contract tussen twee partijen en impliceert niet het bezit van de onderliggende effecten. Daarentegen kunnen beleggers wel profiteren van de koersbewegingen van de effecten. De belangrijkste soorten derivaten zijn futures en opties.

Detailhandelsprijsindex

Een maatstaf die de prijsverandering van een mandje goederen en diensten meet. Het wordt gebruikt om de ‘inflatie’ te schatten. Het verschil met de consumentenprijsindex zit hem vooral in de rekenmethode en het meetellen van rentebetalingen over hypotheekleningen.

Direct vastgoed

Binnen vastgoedbeleggingen heeft dit betrekking op beleggingen in fysiek vastgoed (gebouwen), in tegenstelling tot beursgenoteerde vastgoedaandelen. Ook wel ‘brick and mortar’-vastgoed genoemd.

Dispersie

De mate waarin het rendement van elke variabele (zoals aandelen in een benchmark) afwijkt van het gemiddelde rendement van de benchmark.

Diversificatie

Een manier om risico te spreiden door verschillende soorten beleggingen/beleggingscategorieën te mixen in een portefeuille. Dit is gebaseerd op de aanname dat koersen van verschillende beleggingen zich anders gedragen in een bepaald scenario. Beleggingen met een lage correlatie bieden de meeste diversificatie.

Dividend

Een uitkering van een onderneming aan haar aandeelhouders. De hoogte hiervan is variabel en wordt betaald als een deel van de winst van de onderneming.

Dividenddekking

De verhouding tussen de inkomsten en dividenduitkering van een onderneming. Deze maatstaf geeft aan hoe houdbaar het dividend van een onderneming is.

Dividendrendement

De ontvangen inkomsten op een belegging als percentage van de beurskoers. Dit maakt het mogelijk om de inkomsten van verschillende beleggingen, zoals aandelen, obligaties, cash of vastgoed, met elkaar te vergelijken, of de inkomsten van verschillende fondsen op een zeker moment.

Down-capture ratio

Deze ratio meet hoe een portefeuille presteert ten opzichte van een index als de index daalt. Als de down-capture ratio van een portefeuille 90 bedraagt, daalt deze portefeuille met 9% in periodes dat de benchmark met 10% daalt. De outperformance ten opzichte van de benchmark is dan 1%.

DRAM

Dynamic Random Access Memory is een goedkoop geheugen met een grote capaciteit dat wordt gebruikt in digitale elektronica, bijvoorbeeld voor het werkgeheugen van computers.

Drawdown

Het verschil tussen de hoogste en laagste koers van een portefeuille of effect tijdens een specifieke periode.

Duration

Dit is de mate waarin een vastrentend effect of een vastrentende portefeuille gevoelig is voor een wijziging in de rente, gemeten naar het gewogen gemiddelde van alle resterende cashflows van het effect/de portefeuille (zowel coupon als hoofdsom). Dit wordt uitgedrukt in een aantal jaren. Hoe hoger het cijfer, des te groter de gevoeligheid voor een rentewijziging. ‘Short duration gaan’ betekent dat je de gemiddelde duration van een portefeuille verlaagt. ‘Long duration gaan’ betekent dat je de gemiddelde duration van een portefeuille verhoogt.

Duurzaam en verantwoord beleggen

Een belegging die geacht wordt het milieu en het leven van een gemeenschap te verbeteren. Een veelgebruikte strategie is om niet te beleggen in ondernemingen die zijn betrokken bij tabaksproducten, vuurwapens en olie, en tegelijkertijd actief op zoek te gaan naar ondernemingen die zich inzetten voor de duurzaamheid van het milieu en de samenleving.


E

Economische cyclus

De schommeling van de economie tussen expansie (groei) en krimp (recessie). Veel factoren hebben hier invloed op, zoals de bestedingen van huishoudens, overheden en bedrijven, de handel, technologie en het beleid van centrale banken.

Effect

Een aandeel, obligatie of ander financieel instrument

Efficiënt portefeuillebeheer

Het beleggen in allerlei categorieën die de grootste kans hebben om de beste risicogecorrigeerde rendementen te realiseren en die efficiënt worden beheerd. Zo wordt het risico verlaagd en worden de kosten tot een minimum beperkt.

ESG

Een term voor drie belangrijke indicatoren die de prestaties van bedrijven op het vlak van milieu, maatschappij en ondernemingsbestuur (environmental, social and governance) meten om te kijken of het bedrijf ethisch en duurzaam werkt.

Excess return

Het verschil tussen het rendement van een effect of portefeuille en dat van de benchmark. Dit wordt ook vaak het ‘relatieve rendement’ genoemd.

Exchange traded fund (ETF)

Een verhandeld beleggingsproduct dat een index volgt (bijvoorbeeld een aandelen-, obligatie- of grondstoffenindex). ETF’s worden net als een aandeel verhandeld aan een aandelenbeurs en hebben te maken met koersschommelingen, omdat ook de koers van de onderliggende waarden schommelt. ETF's kennen gewoonlijk een hogere dagelijkse liquiditeit en een lagere vergoeding dan actief beheerde beleggingsfondsen.

Exposure

"Het deel van een portefeuille dat onderhevig is aan koersbewegingen van een specifiek effect, een specifieke sector, markt of economische variabele.

Het wordt meestal uitgedrukt als een percentage van de totale portefeuille. Bijvoorbeeld: de portefeuille heeft een exposure van 10% naar de mijnbouwsector."


F

Fiscaal

Gerelateerd aan de belastingen, schulden en uitgaven van een overheid.

Fiscaal beleid

Het beleid van een overheid met betrekking tot belastingtarieven en het uitgavenniveau. Het is niet hetzelfde als monetair beleid, want dat beleid wordt doorgaans door een centrale bank opgesteld. Fiscale verkrapping verwijst naar belastingverhogingen en/of bezuinigingen, in een poging de staatsschuld te verlagen. Fiscale verruiming (of ‘stimulering’) verwijst naar een toename van de overheidsuitgaven en/of een belastingverlaging.

Fiscale reflatie

Een poging van een overheid om de geldhoeveelheid te vergroten met behulp van fiscaal beleid (belastingtarieven, uitgavenniveaus etc.). Het doel is daarbij een deflatoire trend om te draaien.

Fundamentele analyse

De analyse van informatie die bijdraagt aan de waardering van een effect, zoals de winst van een bedrijf of de evaluatie van het managementteam, maar ook algemene economische factoren. Tegenover de fundamentele analyse staat de technische analyse, die is gericht op kenmerken van de financiële markten, zoals het identificeren van seizoenspatronen.

Future

Een contract tussen twee partijen waarin is vastgelegd dat een verhandelbare belegging, zoals aandelen, obligaties, grondstoffen of valuta’s, wordt gekocht of verkocht op een specifieke datum in de toekomst tegen een prijs die op dit moment is afgesproken. Een future is een derivaat.


G

Geldgroei

De geldhoeveelheid is de totale hoeveelheid geld in een economie. De beperkte definitie van geldhoeveelheid omvat bankbiljetten en munten die in omloop zijn en monetaire equivalenten die eenvoudig omgezet kunnen worden in cash. De uitgebreidere definitie omvat ook verschillende soorten langerlopend, minder liquide bankdeposito’s.

Geldhoeveelheid

De geldhoeveelheid is de totale hoeveelheid geld in een economie. De beperkte definitie van geldhoeveelheid omvat bankbiljetten en munten die in omloop zijn en monetaire equivalenten die eenvoudig omgezet kunnen worden in cash. De uitgebreidere definitie omvat ook verschillende soorten langerlopend, minder liquide bankdeposito’s.

Geldmarktinstrument

Een kortlopend en zeer liquide vastrentend instrument.

Gestructureerde producten

Beleggingsproducten die zijn samengesteld voor een specifiek risico-rendementsprofiel. Ze nemen doorgaans een traditioneel financieel product als basis, zoals een bedrijfsobligatie, en vervangen de normale betalingen door niet-traditionele betalingen op basis van de performance van een of meerdere onderliggende beleggingen.

Gewogen gemiddelde looptijd van de huurcontracten

Bij vastgoedbeleggingen betekent dit de gemiddelde tijd totdat de huurcontracten in portefeuille aflopen, gewogen op basis van de huurinkomsten.

Gewogen gemiddelde resterende huurtermijn

Het deel, meestal uitgedrukt als een percentage, van een gebouw of vastgoedportefeuille zonder huurder.

Gilts

Britse staatsobligaties die worden verkocht door de Bank of England, in een poging om de Britse staatsschuld te financieren.

Goed gekapitaliseerde onderneming

Een onderneming met voldoende cash om de activiteiten voort te zetten zonder grote beperkingen.

Groei tegen een redelijke prijs

Beleggers die op zoek zijn naar groei tegen een redelijke prijs zoeken bedrijven die ondergewaardeerd zijn (waardebeleggen) en een solide en langdurig groeipotentieel hebben (groeibeleggen).

Groeibeleggen

Groeibeleggers selecteren bedrijven met veelbelovende groeiperspectieven. De winst van deze bedrijven neemt naar verwachting bovengemiddeld toe ten opzichte van de rest van de markt waardoor hun aandelenkoers stijgt. Zie ook waardebeleggen.

Grondstoffen

Een fysieke grondstof zoals olie, goud of tarwe. De aan- en verkoop van grondstoffen op financiële markten vindt normaal gesproken plaats via termijncontracten.


H

Handelstekort

Wanneer de import van een land de waarde van de export overtreft.

Hefboom

Het gebruik van leningen die bedoeld zijn om de exposure naar activa/markten te vergroten. Dit kan gedaan worden door cash te lenen en dat te gebruiken om activa te kopen, of door het gebruik van financiële instrumenten, zoals derivaten, om het effect van leningen te simuleren voor verdere investeringen in activa.

Herwaardering

Dit vindt plaats als beleggers een hogere prijs willen betalen voor aandelen, doorgaans vooruitlopend op hogere winstcijfers. Bij obligaties kan een herwaardering plaatsvinden als het vermogen van de issuer van de obligatie om rente te betalen en de schuld af te lossen verbetert (kredietkwaliteit). Zie ook afwaardering.

Highyieldobligatie

Een obligatie met een lagere creditrating dan een investmentgradeobligatie. Soms ook wel een sub-investmentgradeobligatie genoemd. Bij deze obligaties is de kans groter dat een issuer niet aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen. Daarom worden deze obligaties meestal uitgegeven met een hogere coupon als compensatie voor het extra risico.

Hoogrenderende sectoren

Sectoren met aandelen die een hoog dividendrendement hebben vergeleken met het benchmarkgemiddelde.

Huurcontracten op basis van detailhandelsprijsindex

Binnen vastgoedbeleggingen verwijst dit naar huurverhogingen op basis van de detailhandelsprijsindex.

I

ICBE-richtlijn

De Europese Unie (EU) heeft richtlijnen opgesteld die het voor zorgvuldig gereguleerde fondsen mogelijk maakt vrij te handelen in de hele EU. Een fonds dat handelt in overeenstemming met deze richtlijnen wordt een Instelling voor Collectieve Beleggingen in Effecten (ICBE) genoemd. Deze regelgeving is bedoeld om beleggers meer bescherming te bieden.

Illiquide alternatieve beleggingen

Effecten die niet eenvoudig gekocht of verkocht kunnen worden op de markt. Aandelen met een hoge marktkapitalisatie zijn doorgaans wel liquide, omdat er vaak veel kopers en verkopers op de markt zijn voor zulke aandelen.

Illiquide beleggingen

Effecten die niet eenvoudig gekocht of verkocht kunnen worden op de markt. Aandelen met een hoge marktkapitalisatie zijn doorgaans wel liquide, omdat er vaak veel kopers en verkopers op de markt zijn voor zulke aandelen.

In gebreke

Als een debiteur (zoals een emittent van obligaties) niet in staat is de rente te betalen of het oorspronkelijke geleende bedrag terug te betalen wanneer dit moet.

Index

Een statistische maatstaf voor de veranderingen in een effectenmarkt. Zo geeft in de VS de S&P 500 Index weer wat de performance is van de aandelen van de 500 grootste Amerikaanse bedrijven. Het is een veelgebruikte benchmark voor aandelenfondsen die in deze regio beleggen. Elke index heeft zijn eigen berekeningsmethode en wordt meestal uitgedrukt als een verandering ten opzichte van een bepaalde basiswaarde.

Inflatie (%)

Het tempo waarmee de prijzen van goederen en diensten in een economie stijgen. Algemeen gebruikte indexen hiervoor zijn de CPI en de RPI. Het tegenovergestelde van deflatie.

Inflatiegerelateerde obligaties

Obligaties waarbij de coupon en aflossingen worden afgestemd met het inflatiecijfer. Denk hierbij aan Treasury-Inflation Protected Securities (TIPS) die worden uitgegeven door de Amerikaanse overheid. Inflatiegerelateerde obligaties worden ook wel indexobligaties of ‘linkers’ genoemd.

Informatieratio

Een maatstaf voor het risicogewogen rendement van een portefeuille. Met deze ratio wordt er gekeken of een fondsbeheerder constante rendementen realiseert, en wordt deze berekend door de excess return van de portefeuille te delen door de tracking error.

Infrastructuurinvestering

Investering in de fysieke bezittingen van een land of bedrijf, zoals wegen, bruggen, water, riolering en telecommunicatie. Meestal doen beleggers dit die voor lange perioden grote hoeveelheden geld investeren. Zij worden echter beloond met geldstromen die op de lange termijn vrij voorspelbaar zijn.

Interbancaire markt

De valutamarkt waar banken verschillende valuta’s met elkaar kunnen verhandelen.

Interbancaire rente

Rentetarief dat banken rekenen als ze elkaar onderling geld lenen (geldt voor kortetermijntransacties).

Intrinsieke waarde

De totale waarde van de posities van een fonds minus de kosten die het maakt.

Inflazione negativa

Si ha inflazione negativa quando il livello generale dei prezzi si abbassa fino a generare un tasso d'inflazione negativo. Si tratta di una situazione distinta dalla "disinflazione", che consiste in un calo del livello d'inflazione.

Investmentgradeobligatie

Een obligatie die meestal wordt uitgegeven door overheden of bedrijven die naar verwachting een relatief klein risico hebben op wanbetaling. De hogere kwaliteit van deze obligaties wordt weerspiegeld in een hogere creditrating dan obligaties die ogenschijnlijk een hoger defaultrisico hebben, zoals highyieldobligaties.


J

Er zijn geen definities voor de letter J in deze begrippenlijst.


K

Kapitaalratio

Een maatstaf voor het bezit van kapitaal van een bank afgezet tegen de risicogewogen activa die kwetsbaar zijn in het geval van een crisis.

Kapitaaluitgaven

Uitgaven aan vaste activa zoals gebouwen, machines, apparatuur en voertuigen om de capaciteit of efficiëntie van een bedrijf te vergroten.

Koers-winstverhouding (k/w)

Een van de meest gebruikte ratio's voor de waardering van een aandeel van een onderneming. Het wordt berekend door de huidige koers van het aandeel te delen door de winst per aandeel. Een hoge k/w duidt er over het algemeen op dat beleggers hoge verwachtingen hebben over winstgroei, hoewel een (tijdelijke) winstdaling ook tot een hoge k/w kan leiden.

Korting

Wanneer de koers van een effect lager is dan de onderliggende waarde, wordt dat effect ‘verhandeld tegen een korting’. Binnen beleggingsfondsen is dit de mate waarin de koers per aandeel in het fonds lager is dan de onderliggende intrinsieke waarde. Het tegenovergestelde van handelen tegen een premie.

Kredietrisico

Het risico dat een lener zijn contractuele betalingsverplichtingen aan beleggers niet nakomt, door de vereiste schuld niet of niet tijdig af te lossen.

Kwantitatieve verruiming

Onconventioneel monetair beleid dat centrale banken gebruikten om de economie te stimuleren door de totale hoeveelheid geld in een bankensysteem te verhogen.


L

Laatcyclisch

Het rendement van beleggingen is grotendeels afhankelijk van cyclische factoren die met de staat van de economie te maken hebben. Economieën en markten zijn cyclisch en de duur van een cyclus kan uiteenlopen van een of twee jaar tot bijna tien jaar. Over het algemeen is een economie vroegcyclisch in de overgang van recessie naar herstel; midcyclisch is als het herstel aantrekt; en laatcyclisch is als de groei vertraagt, lonen beginnen te stijgen en de inflatie aantrekt. Op dit punt zijn beleggers bijzonder optimistisch en denken ze dat de koersen blijven stijgen.

Lange rente

De hoogte van het inkomen op een effect, meestal uitgedrukt in procenten. Let op: een lagere rente betekent meestal een hogere koers en omgekeerd

Largecap-aandelen (largecaps)

Grotere ondernemingen, zoals gedefinieerd door de totale marktwaarde van een onderneming op basis van marktkapitalisatie (berekend door het aantal uitgegeven aandelen te vermenigvuldigen met de huidige koers van het aandeel) kunnen doorgaans eenvoudig worden gekocht of verkocht op de markt (zeer liquide).

Leegstand

De gemiddelde tijd tot de huurcontracten in de portefeuille worden beëindigd, gewogen op basis van de contractuele huurinkomsten.

LIBOR

London Interbank Offered Rate. Een veelgebruikte rentevoet waartegen banken elkaar korte leningen verstrekken. De LIBOR is de belangrijkste benchmark voor kortetermijnleningen.

Liquide beleggingen

Effecten die eenvoudig gekocht of verkocht kunnen worden op de markt.

Liquiditeit

De mogelijkheid om een effect of belegging te kopen of verkopen op de markt. Beleggingen die makkelijk verhandelbaar zijn op de markt (zonder dat dit enorme koersschommelingen veroorzaakt) worden ‘liquide’ genoemd.

Long in de Amerikaanse dollar

Long zijn in de Amerikaanse dollar betekent het kopen/bezitten van een positie in de valuta in de verwachting dat deze in waarde zal stijgen.

Long/short

Een portefeuille die kan beleggen in zowel longposities als shortposities. De bedoeling hiervan is te profiteren van koersstijgingen via longposities en van koersdalingen via shortposities. Dit type beleggingsstrategie heeft het potentieel om rendement te genereren ongeacht de beweging van de algemene markt, hoewel rendement niet is gegarandeerd.

Long-only

Een portefeuille die alleen belegt in longposities.

Longpositie

Een positie in een effect waarvan wordt verwacht dat de koers gaat stijgen.


M

Marktkapitalisatie

De totale marktwaarde van de uitgegeven aandelen van een onderneming. Die bereken je door het aantal uitgegeven aandelen te vermenigvuldigen met de huidige koers van de aandelen. Dit cijfer wordt gebruikt om de omvang van een onderneming te bepalen.

Microkrediet

Kleinschalige leningen aan mensen die hulp nodig hebben, meestal door individuen of kleine bedrijven.

Mobility as a Service (gedeelde mobiliteit)

Diensten die gebruikers voorzien van vervoer op de korte termijn wanneer ze het nodig hebben.

Momentumbeleggen

Een beleggingsstrategie gebaseerd op de verwachting dat stijgende aandelen blijven stijgen en dat achterblijvende aandelen dat ook blijven doen.

Monetair beleid

Het beleid van een centrale bank, gericht op het beïnvloeden van de inflatie en de groei in een economie. Hieronder vallen het beheer van de rente en de geldhoeveelheid. Monetaire stimulering verwijst naar acties van centrale banken om de geldhoeveelheid te vergroten en leenkosten te verlagen. Monetaire verkrapping verwijst naar acties van centrale banken met als doel het beteugelen van inflatie en het vertragen van de economische groei door de rente te verhogen en de geldhoeveelheid te beperken. Zie ook fiscaal beleid.

Monetaire aggregaten

Methodes om de geldhoeveelheid in de economie te meten.

'Mortgage-backed security' (MBS)

Een effect dat is gedekt door een verzameling hypotheken. Beleggers ontvangen periodieke betalingen die zijn afgeleid van de onderliggende hypotheken, vergelijkbaar met coupons. Vergelijkbaar met een 'asset-backed security'.

Multipliereffect

Wanneer er geld wordt geïnvesteerd in een economie, veroorzaakt dit een soort kettingreactie. Het multipliereffect is de verhouding tussen de inkomensverandering en de overheidsuitgaven.


N

NAIRU

Non-accelerating inflation rate of unemployment (natuurlijke werkloosheid). Dit is een niveau van werkloosheid in een economie waarbij de inflatie niet stijgt. In feite is er dan sprake van een evenwicht tussen de staat van de economie en de arbeidsmarkt.

Navigeren in de hypecyclus

Het identificeren en begrijpen waar een opkomende technologie zich bevindt op de hypecyclus (hype, gebruik, volwassenheid, maatschappelijke toepassing), wat helpt om gebieden van de markt te vermijden die zich in de hypefase bevinden.

Neerwaarts risico

Een schatting hoeveel een effect of portefeuille daalt als de markt de verkeerde kant op beweegt.

Neerwaartse bescherming

Het beperken van verliezen als de waarde van een onderliggende belegging daalt.

Negatieve inflatie

Negatieve inflatie doet zich voor als het algemene prijsniveau daalt waardoor het inflatiecijfer negatief wordt. Dit is iets anders dan ‘desinflatie’, want dan is er sprake van een daling van de inflatie.

Netto- en bruto-exposure

De hoeveelheid exposure naar de markt van een portefeuille. De netto-exposure wordt berekend door de omvang van de shortposities van de portefeuille af te trekken van de omvang van de longposities van de portefeuille. Voorbeeld: als een portefeuille 100% long is en 20% short, dan bedraagt de netto-exposure 80%. De bruto-exposure wordt berekend door de absolute waarde van zowel de longposities als de shortposities te combineren. Voorbeeld: als een portefeuille 100% long is en 20% short, dan bedraagt de bruto-exposure 120%.

Niet-cyclisch

Ondernemingen/sectoren die essentiële goederen leveren, zoals nutsbedrijven en consument defensief. Waar cyclische ondernemingen goederen en producten leveren die consumenten kopen als het vertrouwen in de economie hoog is, leveren niet-cyclische ondernemingen producten en diensten die consumenten niet kunnen missen, ongeacht de staat van de economie, zoals gas, voedsel en elektriciteit.

Nieuwe generatie infrastructuur

Omvat de verschuiving naar ‘cloudinfrastructuur’ – computers en opslag op omvangrijke schaal, wat leidt tot goedkope, snelle rekenkracht en toegang tot machine learning.

Nominale waarde

Een waarde die niet is gecorrigeerd voor inflatie. Binnen obligatiebeleggingen verwijst dit naar de nominale waarde van een obligatie in plaats van naar de huidige (markt)waarde.

Nominale waarde

Normaal gesproken wordt van obligaties de nominale waarde afgelost op de vervaldatum. Voorbeeld: als een obligatie is uitgegeven op GBP 100, moet op de vervaldatum ook weer de nominale waarde van GBP 100 afgelost worden. In het Engels bekend als ‘par value’ of ‘maturity value’.

Normalisatie van monetair beleid

Het uitfaseren van onconventioneel monetair beleid van centrale banken (zeer lage rente en het aankopen van kortlopende staatsobligaties) dat is ingevoerd om de wereldeconomie te stimuleren na de wereldwijde financiële crisis van 2008.


O

Obligatie

Een schuldbewijs dat wordt uitgegeven door een onderneming of overheid om geld op te halen. De belegger die de obligatie koopt, leent in feite geld aan de uitgever van de obligatie. Obligaties bieden een rendement voor beleggers in de vorm van vaststaande periodieke betalingen, en het uiteindelijke rendement op de vervaldatum van het aanvankelijk belegde geld – de nominale waarde. Vanwege de vaststaande periodieke rentebetalingen worden ze ook vaak vastrentende instrumenten genoemd.

Obligatieachtige aandelen

Een aandeel dat naar verwachting veilige en voorspelbare inkomsten oplevert bij een lage volatiliteit – eigenschappen die meer worden geassocieerd met obligaties. Zulke aandelen zijn vooral te vinden in de sectoren nutsbedrijven, niet-duurzame consumptiegoederen en farmacie. Ze kunnen worden toegevoegd aan een portefeuille om obligaties na te bootsen, vandaar hun naam.

OEIC

Open-ended investment company (beleggingsvennootschap met veranderlijk kapitaal). Dit een gebruikelijke structuur voor Britse fondsen. De meeste zijn ICBE-conform.

Onderhandse plaatsing

Een manier om geld op te halen via de verkoop van effecten aan een gelimiteerd aantal inschrijvers (in tegenstelling tot een openbare plaatsing).

Onderwogen

Een kleinere weging in een individuele belegging, beleggingscategorie, sector of regio dan de benchmark van een portefeuille.

Ontwrichtende technologie

Een technologie die een bestaande technologie vervangt en de industrie opschudt. Of de ontwikkeling van een nieuwe industrie door een baanbrekend(e) product of dienst.

Optie

Een contract waarin twee partijen ermee instemmen dat een van hen het recht heeft een bepaalde belegging, zoals aandelen, obligaties of valuta's, te kopen of verkopen binnen een vastgesteld periode tegen een vooral vastgestelde prijs. Een optie is een derivaat.

Organisch groei

De intern gegenereerde groei van een onderneming.

Outperformance

Een rendement dat hoger is dan dat van de benchmark van een portefeuille. Vaak ook 'excess return' genoemd.

Over-the-counter (OTC)

Effecten die niet worden verhandeld aan een formele, gecentraliseerde beurs, zoals de London Stock Exchange. In plaats daarvan worden ze onderhands verhandeld via een netwerk van dealers. De meeste obligaties en derivaten worden op deze manier verhandeld.

Overweging

Een grotere weging in een individuele belegging, beleggingscategorie, sector of regio dan de benchmark van een portefeuille.


P

PAIF

Property authorised investment fund. Een fonds dat het voor in aanmerking komende beleggers mogelijk maakt op een fiscaal efficiënte manier inkomsten te ontvangen uit vastgoedbeleggingen.

Pair trade

Een transactie waarbij een longpositie en een shortpositie in twee sterk gecorreleerde effecten (of financiële instrumenten) wordt ingenomen om te profiteren van alle marktomstandigheden.

Passief beleggen

Een beleggingsbenadering die een index volgt. Het wordt passief genoemd, omdat het fonds simpelweg de index wil repliceren. Veel Exchange Traded Funds zijn passieve fondsen. Het tegenovergestelde van actief beleggen.

Payoutratio

Het percentage van de netto-inkomsten dat in een jaar in de vorm van dividend wordt uitgekeerd aan aandeelhouders.

Peer-to-peer lenen

Geld dat wordt uitgeleend aan individuen of ondernemingen via online diensten die uitleners koppelt aan leners.

Performancevergoeding

Een stimuleringspremie die wordt betaald aan vermogensbeheerders als een portefeuille een vastgestelde benchmark overtreft. Normaal gesproken wordt deze weergegeven als een percentage van de excess return ten opzichte van die benchmark.

Portefeuille

Een verzameling financiële beleggingen, zoals aandelen, obligaties en cash. Ook vaak een ‘fonds’ genoemd.

Positie

Een belegging in een afzonderlijk financieel instrument, zoals een aandeel of obligatie, of een verzameling van zulke financiële instrumenten. Een portefeuille kan bijvoorbeeld een positie hebben in een technologiebedrijf of via verschillende aandelen een positie hebben in de technologiesector.

Posten buiten de balans

Bezittingen of verplichtingen die niet op de balans van een onderneming staan, maar wel belangrijk zijn om de financiële gezondheid van een onderneming te beoordelen.

Precariaat

Een arbeidersklasse dat zich kenmerkt door korte banen, lage inkomens en weinig sociale zekerheid (pensioen, betaalde vakantiedagen, etc).

Premie

Wanneer de koers van een effect hoger is dan de onderliggende waarde, wordt dat effect ‘verhandeld tegen een premie’. Binnen beleggingsfondsen is dit de mate waarin de koers per aandeel in het fonds hoger is dan de onderliggende intrinsieke waarde. Het tegenovergestelde van korting.

Principal

Binnen obligatiebeleggingen verwijst dit naar het oorspronkelijk geleende bedrag (hoofdsom) aan de issuer van een obligatie. De principal moet op de vervaldatum worden terugbetaald aan de uitlener. Dit staat los van de coupon, een periodieke rentebetaling.

Private equity

Een belegging in een onderneming die niet staat genoteerd aan een aandelenbeurs. Net als met infrastructuurbeleggingen gaat het doorgaans om beleggers die voor een langere periode een groot bedrag inleggen.

Protectionisme

Het beperken van de handel tussen landen, doorgaans met de bedoeling om lokale ondernemingen en banen te beschermen tegen buitenlandse concurrenten. Veelgebruikte maatregelen zijn quota (beperkingen voor het volume of de waarde van geïmporteerde goederen en diensten) of heffingen (belasting of rechten op geïmporteerde goederen en diensten, waardoor die duurder worden voor binnenlandse consumenten).

Purchasing Managers Index

De Purchasing Managers' Index (PMI) (inkoopmanagersindex) is een vroege indicator van de economische gezondheid van de productiesector in een economie. De index is gebaseerd op vijf indicatoren: nieuwe orders, voorraden, productie, leverancierszendingen en de werkgelegenheid.


Q

Er zijn geen definities voor de letter Q in deze begrippenlijst.


R

R2

Een statistische maatstaf voor de koersbeweging van een belegging die kan worden verklaard door de koersbeweging van een andere belegging. Het meet bijvoorbeeld het percentage van bewegingen in een portefeuille dat is toe te schrijven aan veranderingen in de benchmark.

Reactiefunctie

De manier waarop een centrale bank het beleid aanpast als reactie op een bepaalde veranderingen van de macro-economische omstandigheden.

Real Estate Investment Trusts (REIT's)

Een beleggingsproduct dat belegt in vastgoed, via het directe bezit van vastgoed, vastgoedaandelen of hypotheken. Aangezien ze staan genoteerd aan een aandelenbeurs, zijn REIT’s doorgaans zeer liquide en handelen ze als een gewoon aandeel.

Reflatie

Beleid van een regering om de economie te stimuleren en de inflatie aan te wakkeren.

Reflatiemaand

Dalende obligatiekoersen door inflatieverwachtingen.

Relatieve waardering

Het vergelijken van de koers van een belegging met de marktwaarde van vergelijkbare beleggingen.

Rendement

De hoogte van het inkomen op een effect, meestal uitgedrukt in procenten. Voor aandelen is een veelgebruikte maatstaf dividendrendement, dat de recente dividenduitkeringen voor elk aandeel deelt door de koers. Voor een obligatie wordt het rendement berekend door de coupon te delen door de huidige koers van de obligatie.

Rendement op eigen vermogen

Het inkomen dat een onderneming genereert voor aandeelhouders, uitgedrukt in een percentage van alle aandelen van de onderneming. Dit is een maatstaf van de winstgevendheid van een bedrijf, omdat het laat zien hoeveel winst een bedrijf genereert in verhouding tot het geld dat aandeelhouders hebben belegd.

Rendement op vermogen

Een rentabiliteitsratio die wordt gebruikt om te bepalen hoe effectief een onderneming vermogen omzet in winst.

Rentemarkt

Een markt voor beleggingen in staatsobligaties en aanverwante derivaten

Reserveratio

Een wettelijke vereiste voor de minimale hoeveelheid kasreserve van banken.

Reshoring

Het terugbrengen van de activiteiten naar het thuisland door een onderneming.

Risicogecorrigeerd rendement

De weergave van een beleggingsrendement waarbij rekening is gehouden met de hoeveelheid genomen risico om dat rendement te genereren. Gangbare risicomaatstaven zijn alpha, beta, volatiliteit, Sharpe-ratio en R2.

Risicopremie

Het extra rendement ten opzichte van cash dat een beleggers verwacht te genereren ter compensatie van een belegging die niet risicovrij is. De risicovoller een belegging wordt gezien, hoe hoger de risicopremie.

Risicovolle beleggingen

Financiële effecten waarvan de koers sterk van schommelen (en dus een groter risico met zich meebrengen).Voorbeelden hiervan zijn aandelen, grondstoffen, vastgoed en obligaties

Risicovrije rente

De rente van een belegging met, theoretisch gezien, geen risico. Doorgaans gedefinieerd als de rente op een Amerikaanse 3-maands Treasury bill (een kortlopend geldmarktinstrument).


S

SaaS

Software as a Service is software op basis van abonnementen die toegankelijk is via internet en die dus niet wordt geïnstalleerd op afzonderlijke computers.

Schuldafbouw

Wanneer een onderneming de hoeveelheid leningen/schuld op de balans terugbrengt. Binnen een beleggingsfonds verwijst dit naar het terugbrengen van aantal posities dat is gefinancierd met vreemd vermogen.

Seculiere thema’s

Langetermijnthema’s met een sterk groeipotentieel.

Secured loan

Een lening waar de lener onderpand tegenover stelt, die de uitlener ontvangt als de lener de betalingsverplichtingen niet nakomt.

Sharpe-ratio

Deze ratio meet de risicogecorrigeerde performance van een portefeuille door de excess return (het rendement ten opzichte van de risicovrije rente) te kwantificeren per eenheid gerealiseerd risico. Een hoge Sharpe-ratio wijst op een beter risicogecorrigeerd rendement. De ratio is bedoeld om te meten in hoeverre het rendement van een portefeuille is toe te schrijven aan het vermogen van de fondsbeheerder in tegenstelling tot het nemen van overmatig risico.

Short gaan op rentefutures van Amerikaanse Treasuries

Het verkopen van een derivatencontract in de hoop dat de koers gaat dalen om het contract vervolgens weer terug te kopen met een winst.Met een shortpositie in een rentefuture hoop je op een stijgende rente en dus een dalende koers.

Shortpositie

Fondsbeheerders gebruiken deze techniek om overgewaardeerde effecten te lenen en vervolgens te verkopen. Het doel is om de verkochte effecten terug te kopen als de koers daalt. Deze positie levert winst op als het effect in waarde daalt. Binnen ICBE-fondsen kunnen derivaten, zoals CFD’s, gebruikt worden om een shortpositie te simuleren.

Shortposities in Amerikaanse staatsobligatiefutures

Amerikaanse staatsobligatiefutures zijn gestandaardiseerde derivatencontracten voor het op termijn kopen en verkopen van Amerikaanse staatsobligaties. Een shortpositie in Amerikaanse staatsobligatiefutures is een strategie om te profiteren van een verwachte koersdaling van de onderliggende obligaties.

SICAV

Société d'investissement à capital variable. Dit een gebruikelijke structuur voor Europese fondsen. De meeste zijn ICBE-conform.

Slechte lening

Een lening waarvan de lener de rentebetalingen niet kan voldoen, of die de lener niet tijdig heeft kunnen terugbetalen.

Solvabiliteit

Een maatstaf voor vreemd vermogen van een bedrijf die weergeeft in hoeverre de activiteiten zijn gefinancierd door externe geldverstrekkers en in hoeverre door aandeelhouders. Het is de maatstaf voor de schuldgraad van een bedrijf. Binnen beleggingsfondsen geeft dit weer hoeveel geld het fonds leent om te kunnen beleggen.

Sortino-ratio

Een ratio die wordt gebruikt om het rendement van een portefeuille te evalueren voor een bepaalde hoeveelheid neerwaarts risico. Het is een aanpassing van de Sharpe-ratio, omdat de Sortino-ratio alleen neerwaarts risico kwantificeert, zoals gemeten door het rendement onder de risicovrije rente. Een hoge Sortino-ratio wijst erop dat het rendement hoog is ten opzichte van het genomen neerwaartse risico.

Spread/creditspread

Het verschil tussen de rente op bedrijfsobligaties ten opzichte van vergelijkbare staatsobligaties.

Staatsobligaties

Obligaties uitgegeven door overheden, die kunnen luiden in de lokale valuta of in een buitenlandse valuta. Staatsschuld kan ook verwijzen naar de totale overheidsschuld van een land.

Stagflatie

Een vrij zeldzame situatie waarin oplopende inflatie samenvalt met een futloze economische groei.

Sterkte van de balans

De financiële positie van een onderneming. Zie ook: balans.

Stock Connect

Een samenwerking tussen de aandelenbeurzen van Hongkong, Shanghai en Shenzhen. Stock Connect maakt het voor internationale en binnenlandse Chinese beleggers mogelijk te handelen in effecten op elkaars markten via de faciliteiten voor handel en clearing van hun eigen beurs.

Structurele factor/verandering

Een economische situatie die ontstaat als een sector of markt de manier verandert waarop het functioneert of opereert. Dit kan worden toegeschreven aan een nieuwe economische ontwikkeling, verschuivingen in de pools van kapitaal en arbeid, de vraag naar en het aanbod van natuurlijke hulpbronnen, veranderingen in de politiek en de regelgeving, het belastingsysteem, etc.

Systematisch risico

Het risico van een kritieke of schadelijke verandering van het financiële systeem als geheel, die van invloed is op alle markten en beleggingscategorieën.


T

Taper tantrum

De reactie van de markten na opmerkingen van de voorzitter van de Amerikaanse Federal Reserve in mei 2013, waarin hij aangaf dat de VS overwoog het obligatie-opkoopprogramma (kwantitatieve verruiming) af te bouwen.

Technische analyse

De analyse van esoterische factoren, zoals marktliquiditeit en het gedrag van beleggers, en hoe die de koers van effecten beïnvloeden. Dit staat in tegenstelling tot een fundamentele analyse, waarbij wordt gekeken naar factoren als de gezondheid van ondernemingen en de kwaliteit van managementteams.

Tekort op de lopende rekening

Wanneer de waarde van de goederen en diensten die een land importeert hoger is dan de waarde van de goederen en diensten die dat land exporteert.

Toetredingsdrempels

Factoren die de toetreding tot een segment of sector bemoeilijken, zoals hoge opstartkosten, patenten, merkloyaliteit etc.

Top-down

Een top-down fondsbeheerder baseert zijn portefeuille voornamelijk op het economische klimaat en beslissingen voor asset-allocatie. Dit staat in tegenstelling tot een benadering op basis van criteria voor individuele effecten, bottom-up genoemd.

Tracking error

Deze waarde geeft aan hoe groot de afwijking is tussen de performance van een portefeuille en die van de index. Hoe lager het cijfer, hoe meer de portefeuille overeenkomt met de index.


U

Up-market capture ratio

Deze ratio meet hoe een portefeuille presteert ten opzichte van een index als de index stijgt. Als de up-market ratio van een portefeuille 110 bedraagt, stijgt deze portefeuille met 11% als de benchmark met 10% stijgt. De outperformance ten opzichte van de benchmark is dan 1%.

Use case

Een term uit de software engineering en systeemkunde die beschrijft hoe gebruikers een systeem gebruiken om een bepaald doel te bereiken.


V

Value-trap

Een aandeel dat goedkoop lijkt vanwege een aantrekkelijke waardering (zoals een lage k/w) en beleggers aantrekt die op zoek zijn naar een koopje, maar waarvan de koers uiteindelijk niet stijgt of zelfs daalt. Dit kan gebeuren als het bedrijf of de sector in de problemen verkeert, of als er sprake is van veel concurrentie, een gebrek aan winstgroei of ineffectief management.

Valuta-afdekking

Een transactie die is bedoeld om de waarde van een positie te beschermen tegen ongewenste valutaschommelingen. Dit wordt gedaan met derivaten.

Vastgoedbeheer

Binnen vastgoedbeleggingen verwijst dit naar het doorlopende beheer van vastgoed. Het kan gaan om het heronderhandelen van bestaande contracten met huurders (voor langere of gunstiger voorwaarden) of het renoveren van gebouwen.

Vastrentende waarden

Zie obligatie.

Veilige haven

Een belegging die in principe geen correlatie heeft met de performance van aandelen en obligaties, zoals goud, Amerikaanse staatsobligaties, de Amerikaanse dollar, cash, etc.

Verkrappende arbeidsmarkt

Wanneer de werkloosheid daalt en er weinig vacatures beschikbaar zijn, waardoor normaal gesproken de lonen stijgen.

Vermogen

Met betrekking tot een portefeuille verwijst het vermogen naar de intrinsieke waarde van een fonds. In algemenere zin kan deze term worden gebruikt voor de financiële waarde van een belegd bedrag in een onderneming of beleggingsportefeuille.

Verruimend beleid

Een verruimend beleid van de monetaire autoriteiten heeft als doel de hoeveelheid geld te vergroten en de economische activiteit te stimuleren, voornamelijk door de rente laag te houden. Zo worden bedrijven, particulieren en banken gestimuleerd om te lenen.

Volatiliteit

Maatstaf voor de beweeglijkheid van de koers van een portefeuille, effect of index. Als de koers sterk op en neer beweegt, is er sprake van een hoge volatiliteit. Als de koers licht en langzaam op en neer beweegt, is er sprake van een lage volatiliteit. Volatiliteit is een maatstaf voor het risico dat wordt gelopen.

Vrije cashflow

Geld dat een bedrijf genereert na aftrek van de dagelijkse bedrijfskosten en de kapitaaluitgaven. Het geld kan vervolgens worden gebruikt om in te kopen, dividend uit te keren of schulden af te lossen.


W

Waardebeleggen

Waardebeleggers richten zich op bedrijven die ondergewaardeerd zijn door de markt en waarvan ze verwachten dat de aandelenkoers stijgt. Een populaire strategie is het kopen van bedrijven met een lage k/w. Zie ook groeibeleggen.

Waarderingen

Cijfers die worden gebruikt om de prestaties, de financiële gezondheid en toekomstige winstverwachtingen van een bedrijf te meten, zoals de koers-winstverhouding (k/w) en het rendement op eigen vermogen.

Weighted Average Maturity (WAM)

Gewogen gemiddelde looptijd, oftewel de gemiddelde resterende tijd tot de beleggingen in een portefeuille aflopen.

Wet van Moore

Bedacht in 1965 door Intel-medeoprichter Gordon E. Moore, die voorspelde dat het aantal transistors op een chip (ook wel een geïntegreerd circuit) elke twee jaar zou verdubbelen.

Winst per aandeel (WPA)

Het deel van de winst van een bedrijf dat toe te rekenen is aan één aandeel. Het is voor beleggers een van de meest populaire manieren om de winstgevendheid van een bedrijf te bepalen.

Winstmarge

De mate waarin de omzet van een product of dienst de bedrijfs- en productiekosten overtreft.


X

Er zijn geen definities voor de letter X in deze begrippenlijst.


Y

Yield to worst

Het laagst mogelijke rendement op een vervroegd aflosbare obligatie zonder dat de uitgever van de obligatie in gebreke blijft.

Yieldcurve

Een grafiek die de rente op obligaties van vergelijkbare kwaliteit afzet tegen hun looptijd. In een normale/schuin oplopende yieldcurve is de rente op langlopende obligaties hoger dan de rente op kortlopende obligaties. Een yieldcurve kan marktverwachtingen signaleren over de economische richting van een land.


Z

Zakelijk vastgoed

Vastgoed dat wordt gebruikt voor zakelijke doeleinden. Zakelijk vastgoed kent drie belangrijke sectoren: winkels, kantoren en industrie. Woningen vallen hier niet onder.

Zelfrijdende auto

Een voertuig dat in het verkeer naar een bepaalde bestemming rijdt zonder menselijke tussenkomst.

Zero lower bound

Met de zero lower bound wordt bedoeld dat de korte rente op, of in de buurt van, nul is beland, wat het voor centrale banken moeilijker maakt de economie te stimuleren.

Zijwaarts bewegen

Wanneer de beweging van de markt relatief klein is (omhoog of omlaag).


Attentie